Het gebruik van ICT in onze school kan ingedeeld worden volgens drie functies: (feitelijke situatie)

         

A.     Actief leren OVER ICT in onze school

Hoe werkt ICT en wat kan je ermee doen wordt niet expliciet als doel nagestreefd. Het gebeurt indirect en is eerder een gevolg van het gebruik van de nieuwe media.

 

Gebruikte programma’s:

-    AaBeeCee-methode van Instruct.

 

-         Spelen met de computer. (onderbouw)

  • Gezichten. (klikken)
  • Zoek de verschillen. (klikken)
  • Ballonnen. (dubbelklikken)
  • Doolhof. (slepen)
  • Puzzelen. (slepen)
  • Schilderij. (slepen)
  • Kat en muis. (gebruik van de cursortoetsen)
  • Geluiden. (klikken)
  • Toetsen. (gebruik van het toetsenbord)

Elk onderdeel bestaat uit verschillende niveaus. Een leerling die een niveau goed heeft afgesloten, krijgt een volgende keer automatisch een hoger niveau aangeboden. 

 

-         Verkennen van de computer. (middenbouw)

  • Kennismaking.
  • Lijsten. (scrollen in keuzelijsten, oefenen van alfabetisering)
  • Toetsenbord. (toetsenbordverkenning)
  • Vensters. (manipuleren: groter en kleiner maken, verplaatsen)
  • Foto’s. (openen en opslaan van bestanden)

Elk onderdeel bestaat uit verschillende niveaus. Een leerling die een niveau goed heeft afgesloten, krijgt een volgende keer automatisch een hoger niveau aangeboden.

 

 -         Werken met de computer. (bovenbouw)

  • Kennismaking.
  • Computer. (onderdelen benoemen)
  • Menu’s. (oefenen met de menubalk, rolmenu’s, snelmenu’s, lijsten, selectierondjes en selectievakjes)
  • Internet. (vensteronderdelen benoemen)
  • Bestanden. (zoeken in een boomstructuur)

Elk onderdeel bestaat uit verschillende niveaus. Een leerling die een niveau goed heeft afgesloten, krijgt een volgende keer automatisch een hoger niveau aangeboden. 

 

-         Een rondje XP.

  • De computer. (onderdelen benoemen)
  • De muis. (uitleg muisfuncties en oefeningen)
  • Het toetsenbord. (functies toetsen en oefeningen)
  • Het bureaublad. (begrippen als taakbalk, startknop, pictogrammen)
  • Het startmenu. (programma’s openen)
  • Vensters. (verslepen, schuifbalken, minimaliseren/maximaliseren, schakelen tussen vensters)

Elk onderdeel bestaat uit verschillende niveaus. Een leerling die een niveau goed heeft afgesloten, krijgt een volgende keer automatisch een hoger niveau aangeboden. 

 

Opmerking: Bij elke van de bovenvernoemde programma’s kan de leerkracht op elk ogenblik evalueren hoe ver de leerlingen staan, welke moeilijkheden ze nog hebben of waar ze vlot mee overweg kunnen.

 

B.     Actief leren MET  BEHULP VAN ICT in onze school

In onze school creëren we voor de kinderen vooral kansen om te leren met behulp van ICT (info verzamelen, selecteren en bewerken, info presenteren, mailen,...)

Aangezien de kinderen zowel thuis, als in de klas gebruik maken van het internet wordt er zeer veel aandacht besteed aan de netiquette.

  • Kennismaking met het project “Zonneland nieuwsquiz”.
  • Aanvragen informatiebrochure bij VVV-kantoren van de belangrijkste steden van ons land.
  • Ontwerpen van affiches i.v.m. de “minionderneming”.
  •  Aanvragen informatiebrochure i.v.m. eventuele schoolreizen.
  • Samenstellen van een schoolkrant.
  • Webquest ‘waterzuivering” met als afsluiting een technologische opdracht. (zelf water zuiveren)
  • Deelname aan de wedstrijd  “Bezoek aan de kazerne van Leopoldsburg”.
  • Hoe maak ik een goede spreekbeurt?
  • Gebruik van zoekmachines, tekstverwerking,  e-zoekertjes, e-mail en dergelijke.
  • Stappertje
  • Word 1 en 2
  • PowerPoint
  • Publisher
  • Encarta 1 en 2
  • Internet Explorer
  • Microsoft Outlook of Hotmail
  • ICT als medium gebruiken bij werkstukken voor de klas: spreekoefeningen, uitnodigingen barbecue, uitnodigingen schoolfeest, affiches,        

 

 

C. Actief leren DOOR MIDDEL VAN ICT in onze school

Leren door middel van ICT (educatieve software) krijgt in onze school een bijzondere plaats. Inspelend op het klasgebeuren wordt er elke les (ongeveer 25’) een deel gespendeerd aan geïntegreerde educatieve oefeningen. De programma’s die hierbij gebruikt worden, zijn meestal freeware-programma’s of online verzamelpagina’s. (bv. Hotpotatoes, Klascement, Kinderpleinen, webquest, freeware, Google-Earth, …)

Bij softwarewensen kunnen de leerkrachten zich wenden bij de ICT-coördinator. Deze bekijkt samen met de betrokken leerkracht de alternatieven. Als de leerkracht en de ICT-coördinator de gebruiksmogelijkheden van het programma positief beoordelen, zullen zij het team adviseren tot de aanschaf van het programma over te gaan, aangenomen dat het schoolbudget toereikend is. Hierbij moet worden aangetekend dat er wel gestreefd wordt naar een evenwichtige verdeling van softwareprogramma’s over de leerjaren en over de vakgebieden. Wat is een webquest? Een WebQuest of WebKwestie is een activiteit voor leerlingen, waarbij de informatie geheel of gedeeltelijk van het web komt. Individueel of in groepjes maken de leerlingen een product. Dat kan zijn een spreekbeurt, een werkstuk, een powerpoint-presentatie, een verslag, een krantenartikel, …..

In 1995 ontwikkelde Bernie Dodge, professor aan de San Diego State University in Amerika, het WebQuest-idee. Hij zocht met zijn studenten een manier om in het onderwijs op een interessante wijze gebruik te maken van internet.Hij wilde de leerlingen op een uitdagende manier gebruik laten maken van internetbronnen. Je kunt hem persoonlijk zien en hem zijn relaas horen vertellen.
Dodge werkt nog steeds aan de San Diego State University. Nog steeds werkt hij volop aan de (door)ontwikkeling van WebQuests.


Iedere WebQuest bestaat uit 7 onderdelen volgens een vaste indeling en volgorde: 

1.      Inleiding (introduction)

2.      Opdracht (task)

3.      Werkwijze (process)

4.      Informatiebronnen (resources)

5.      Beoordelingsschema (evaluation)

6.      Terugblik (conclusion)

7.      Leerkracht (teacherpage)  

 

Een WebQuest is een aantrekkelijke vorm van integratie van de computer, zelfstandig werken en internet. WebQuests worden gemaakt door praktijkmensen: docenten en studenten.

In een WebQuest / WebKwestie hebben de leerlingen meestal een rol (boswachter, museumdirecteur, striptekenaar, enz.). In die rol moeten zij een product maken. De informatie die ze daarvoor nodig hebben komt voor het grootste deel van het internet.

De websites die de leerlingen nodig hebben voor hun WebQuest zijn op voorhand door de webquestmaker uitgezocht. De maker van de WebQuest voegt alleen een website toe aan de WebQuest wanneer hij denkt dat die bruikbaar is voor de leerling. Daardoor hoeven de leerlingen niet via zoekmachines te werken en verdwalen dus minder op internet. En daardoor komen ze niet op ongewenste sites.